Janet ontvangt al een aantal jaar af en aan een bijstandsuitkering. Na een aantal periodes van volledige uitstroom gaat Janet aan de slag op parttime werk. In eerste instantie is het een fijn gevoel dat het recht op uitkering behouden blijft. De manier waarop er verrekend wordt, blijkt echter een nieuwe financiële drempel op te werpen. Janet krijgt haar loon per vier weken uitbetaald. Maar: de gemeente wil het inkomen verrekenen dat Janet in een maand heeft verdiend. Dit betekent dat de inkomsten voor het resterende deel van de maand worden bijgeschat, en alvast verrekend met de uitkering.  Daarnaast heeft Janet recht op een eindejaarsuitkering, die ook elke maand vast met haar uitkering wordt verrekend. 

Gevolg is dat in de meeste maanden meer wordt verrekend dan wat Janet binnenkrijgt. In die maanden heeft Janet dus minder te besteden dan de bijstandsnorm. Het voelt voor Janet daarom alsof ze er, door te gaan werken, eerder op achteruit gaat dan op vooruit. Daarnaast ervaart ze door brieven met grote woorden en dreigend taalgebruik een steeds groter wordende druk. De angst om de loonstroken niet op tijd in te leveren, en de eventuele gevolgen daarvan, zijn altijd aanwezig.

‘De dreiging die je dan krijgt, het is net alsof je geen mens meer bent. Weet je wel, je hebt geen vrijheid. En ik weet sommige mensen doen aan fraude, en sommige mensen verspetteren hun hele kans van de uitkering, dat weet ik óók. Maar het was echt dat ademen, dat ze blijven ademen in je nek. Oeh, daar kon ik gewoon niet tegen.’