Mevrouw W. werkt als schoonmaakster voor een bouwbedrijf. Ze doet dat een aantal uur per dag, verdeeld over 4 dagen per week.
Groot probleem voor mevrouw W. is dat ze haar inkomen in vierwekelijkse termijnen krijgt uitbetaald en dat haar loonstroken pas laat beschikbaar komen. De gemeente waar mevrouw W. woont, hanteert een strikt beleid van op de maand verrekenen. Dat betekent dat de uitkering pas wordt uitbetaald als de loonstroken die horen bij de volledige maand bij de gemeente binnen zijn. In het geval van mevrouw W. is dat soms pas vijf weken nadat de maand is afgelopen. Al die tijd moet ze dan wachten op haar aanvullende uitkering, terwijl de rekeningen wel gewoon doorlopen.
De financiële planning van mevrouw W. lijkt dan ook op hogere wiskunde. Haar loon komt door het vierwekelijkse betaalritme elke maand op een andere dag binnen. In januari is dat op de 28e van de maand, maar naarmate het jaar vordert, komt het loon steeds vroeger in de maand. Dit is lastig, omdat de vaste lasten wel een maandelijks betaalritme kennen. Groter is nog het probleem dat de uitkering pas volgt wanneer de loonstroken die horen bij een volledige maand door mevrouw W. zijn ontvangen en door de gemeente zijn verwerkt. Wanneer dat het geval is, is elke maand weer onduidelijk.
‘Als het maar goed gaat, als het maar goed gaat. Zo zat ik. Schuiven met rekeningen. Dan moest ik echt een beetje schuiven. Dan zit je met rekeningen dat je moet bellen naar de [woningbouwvereniging ]. Dat het niet ging. Dat je het later moest storten, zal ik maar zeggen. Dat is het irritante ervan. Dat je met rekeningen op achterstand kwam. Dat je met beetjes kunt betalen. Met bepaalde rekeningen is het gewoon. Dat is heel irritant. Heel irritant. Stress is het dan. Bepaalde dingen, je moet overleven met bepaalde dingen in ieder geval.’