Myrna heeft een dagbestedingsplek op een zorgboerderij. Het bevalt haar hier heel goed, vooral het creatief bezig zijn, zoals schilderen en meubels opknappen. Fijn is ook dat er rekening wordt gehouden met wat ze leuk en minder leuk vindt. Werken in de moestuin vindt Myrna bijvoorbeeld minder leuk. Daar wordt op de dagbesteding dan ook rekening mee gehouden.
‘Ik zou hier voor altijd willen blijven. Maar op een gegeven moment ‘moet’ ik toch weg. Ik wil wel een betaalde baan. Ik zou het fijn vinden om mijn eigen geld te verdienen, omdat ik nu een uitkering heb. Dat zou heel fijn zijn, want dan heb ik het gevoel dat ik er wat meer bij hoor.’
Toch levert de stap naar werk voor Myrna nog te veel drempels op. Ze heeft de stap geprobeerd te zetten, maar was na een aantal weken weer terug op de zorgboerderij. Het gat tussen de activiteiten en verwachtingen op de dagbestedingsplek en haar werkplek in een productiehal, bleek voor Myrna te groot.
‘Die [T-shirts] moesten dan eerst uitgepakt worden en daarna weer terug in zakjes en in de doos. Op een gegeven moment kon ik geen T-shirt meer zien. (…) Dat ik echt dacht van: wat doe ik hier? Aan wie probeer ik wat te bewijzen? (…) Dus denk ik van: waarom zou ik mijn best doen om naar een betaalde baan te gaan, wat me alleen maar meer stress geeft, terwijl ik hier op de dagbesteding helemaal mezelf kan zijn en het naar mijn zin heb en mijn ei kwijt kan? (…) Hier kan ik lekker creatief bezig zijn. Maar als ik een keer in de tuin wil werken (…) zijn we lekker fysiek bezig en dat voelt ook heel fijn. Hier kan ik lekker (…) de lunch voorbereiden. Dat geeft me ook meer voldoening als we dan met z’n allen gaan lunchen. Dat je denkt van: dat heb ik toch wel weer gedaan.’
Bron: Universiteit voor Humanistiek (2025), Levensverhalen over werk. Een onderzoek naar de stap van dagbesteding naar (beschut) werk.